


Muzikaal onthaasten op de vroege zondagavond met muziek voor miljoenen en met Marc Brillouet.
Geef toe dat ‘Funiculi, funicula’ een kanjer van een meezinger is. Het was in 1990 bij de start van ons Radio 2-programma een titelkeuze die vrij snel voor de hand lag, deze titel dekt namelijk onze muzikale lading volledig...
Belcanto, melodieus en heel bekend! Ik kende dat liedje al van toen ik een jaar of 12 was. Ik had in de platencollectie van mijn ouders een elpee ontdekt van Mario Lanza ‘Mario! Lanza at his best’ RCA LM-2331-C. Pas veel later kwam ik te weten dat Lanza deze elpee 10 maanden voor z’n overlijden opnam. Volgens velen was hij toen, hoe vreemd het ook mag klinken, uitstekend bij stem. Hij had net een nieuw platencontract bij RCA afgesloten dat hem nog eens 5 jaar aan deze firma bond. Het eerste album dat volgens dit contract moest worden opgenomen, was een elpee met uitsluitend Napolitaanse klassiekers. Het orkest stond onder leiding van Franco Ferrara die aan de in die tijd totaal onbekende Ennio Morricone vroeg de nummers te arrangeren. Het was ook een van de allereerste stereoplaten die RCA op de markt bracht. Ik weet nog goed dat er haast geen week voorbij ging of ik draaide die plaat en het opmerkelijke is, ik koester die nog altijd. Dit album heeft me de schoonheid van een pak Napolitaanse liedjes leren waarderen én mijn waardering voor geschoolde zangstemmen. Toen ik jaren later op zoek ging naar een geschikte titel voor ons zondag programma, koos ik haast onbewust voor de titel van het eerste liedje waarmee die Lanza elpee begint, ‘Funiculi, funicula’ en sinds die 2de september 1990 zijn we onder die muzikale vlag blijven varen.
Niet dat die ene plaat van Lanza toen ik met Funiculi begon mijn enige klassieke bagage was. Thuis hoorde ik vaak operettemuziek. Mijn moeder zong veel. Pa was meer iemand die graag meefloot. De bekende opera-aria’s waren ook vaste prik ten huize Brillouet. En dan waren er nog de bekende orkesten uit die tijd: Helmut Zacharias, Mantovani, Bela Sanders enz... die in onze huisdiscotheek een vaste stek hadden gevonden, iets later aangevuld met elpees van Franck Pourcel, Paul Mauriat en natuurlijk James Last. Popmuziek schalde thuis ook wel door het huis, want naast die klassiekgetinte elpees stonden ook de platen van Elvis Presley geklasseerd die iets later hun stek in de platenkast moesten delen met Adamo, the Beatles, the Hollies, The Rolling Stones enz... Maar het waren toch vooral de melodische nummers die me kippenvel bezorgde en daar is tot op de dag van vandaag weinig aan veranderd. Ik ben in hart en nieren een melodieënjongen gebleven. Als de muziek bij mij geen gevoelige snaar raakt, als het me geen koude rillingen bezorgt, dan hoeft het niet echt. Dat hoeven ook niet altijd klassiekgeschoolde stemmen te zijn, integendeel. Ik kan net zo goed genieten van een zoetgevooisde Johnny Mathis, als van een swingende Frank Sinatra, als van een wat rauwere Chris Rea, een gebrilde Elton John als van een poëtische Billy Joël.
En dan was er ook nog mijn muzikale tante Henriëtte die er voor zorgde dat ik tijdens m’n kindertijd veel muziek te horen kreeg. We gingen vaak bij haar thuis macaroni eten met bovenop een goudgele korst. En terwijl ze geduldig naast de oven zat te wachten tot alles hapklaar was, draaide ze platen. Ze was dol op Franse liedjes. Bij haar hoorde ik voor het eerst sterren als Lucienne Delyle, Edith Piaf en Charles Trenet. Hier ook hoorde ik vaak ‘The banana boat song’ van Harry Belafonte en nog meer van die populaire platen uit de jaren vijftig. En dan was er ook nog mijn neef Pierre die als één van de eersten in m’n geboortestad Hasselt een stereomeubel in huis had en hij was ook één van de eersten die met een discobar feesten ging opluisteren. Heel vaak ging ik 's zondags samen met mijn vader bij hem thuis naar de nieuwste platen luisteren. Vooral de eerste stereo-elpees waren toen een lust voor ons oor. De albums die toen verschenen waren meer een demonstratie van wat je met stereo allemaal kon laten horen dan dat er mooie muziek werd gemaakt. Het was alsof er met klanken getennist werd, je hoofd bewoog voordurend van links naar rechts. We noemden het niet voor niets ping-pong-stereo. En ik kreeg alles te horen: veel orchestrale muziek, veel operette en ook wel wat klassiek en dat allemaal in de meest optimale akoestische omstandigheden. Maar mijn klassieke kennis werd pas aangescherpt toen ik vanaf mijn 18de met mijn zakgeld klassieke platen begon te kopen. Het eerste pianoconcerto van Tchaikovsky en de pianoconcerti van Liszt en Chopin gingen er bij mij in als honing. En toen ik jaren later - ik was net dertig - bij Radio 3 mocht beginnen als presentator–regisseur was het hek helemaal van de dam. Niet dat het onmiddellijk ‘my cup of tea’ was, hier was het niet meer de mainstream klassiek die ik te horen kreeg, maar het degelijke ernstige werk. Mijn muzikale horizon kon hier alleen maar verruimd worden.
Maar laten we terugkeren naar ons uitgangspunt,want ik merk dat ik een beetje ben afgeweken van het eigenlijke Funiculi-verhaal. ‘Funiculi, funicula’ werd in 1880 gecomponeerd door de Italiaanse componist Luigi Denza, de 24ste februari 1846 in Castellamare di Stabia geboren, een dorpje in de provincie Napels, geboorteplaats ook van Gabriele Capone, vader van de beruchte maffialeider Al Capone. Luigi componeerde ‘Funiculi funicula’ op tekst van Giuseppe Turco, een journalist die in Rome werkte. Luigi zou de muziek geschreven hebben in zijn geboortedorp halfweg Napels en Sorrento, om precies te zijn in een hotel dat eigendom was van zijn ouders. In 1880 werd de eerste kabelbaan naar de top van de Vesuvius gebouwd onder leiding van ingenieur Olivieri di Milano. Tijdens de opening op 6 mei 1880 werd een groots feest georganiseerd. De mensen waren dolenthousiast, maar die vreugde duurde niet lang, want de toeristen kregen heimwee naar vroeger. Ze gingen liever te voet of gezeten op de rug van een ezel naar boven. Geinspireerd door die festiviteiten rond de opening van dat kabeltreintje componeerden Luigi en Giuseppe enkele maanden later één van de bekendste Napolitaanse liedjes. In amper drie uur tijd was ’Funiculi,funicula’ kant en klaar en werd het voor de eerste maal gezongen tijdens het liedjesfestival van Piedigrotta (wat zoveel betekent als aan de voet van de grot) dat toen elk jaar op de 8ste september in Castellamare di Stabia werd georganiseerd. Aan de basis van dat feest lag de eeuwenoude traditie om op de 8ste september een soort parade te organiseren die begon vanaf de kustweg Riviera di Charia en eindigde aan de kerk van Santa Maria di Piedigrotta. Omstreeks 1830 had daar als nieuwe attractie jaarlijks een liedjeswedstrijd plaats waar nieuwe Napolitaanse canzone werden voorgesteld. Voor de grap schreven Denza en Turco zo’n liedje in dat Napolitaans dialect. ‘Funiculi funicula’ (funicolare is Napolitaans voor kabelbaan) won die wedstrijd in Piedigrotta en kende meteen zo’n succes dat muziekuitgever Ricordi er binnen de kortste keren miljoenen exemplaren van verkocht. ‘Funiculi Funicula’wordt sindsdien beschouwd als het lied dat aan het begin stond van de bloei van de Napolitaans liederentraditie.
Denza was met Funiculi niet aan zijn proefstuk toe. Hij had muziek gestudeerd aan het conservatorium van Napels. Een van zijn professoren was Saverio Mercadante. In 1884 bracht hij enige tijd door in Londen en dat beviel hem zo zeer dat hij zich daar vanaf 1887 definitief ging vestigen. Hij werd er als zangleraar aangesteld aan de befaamde Royal Academy of Music. Denza componeerde in het total 600 liedjes die erg in de smaak vielen bij tenoren, liedjes als: ‘Occhi da fata’, ‘Canta il mare’, ‘Torna’, ‘Vieni’ en ‘In questa sera’. Maar Funiculi blijft z’n meest bekend opus. Daarnaast componeerde hij ook nog de opera ‘Wallenstein’. Zijn achterkleinzoon Mark Denza woont nog steeds in Londen en speelt vaak muziek. Hij bezit nog maar een fractie van de liedjes die z’n overgrootvader componeerde. Hij herinnert zich nog levendig de verhalen die z’n vader hem vertelde dat wanneer de bekende tenor Enrico Caruso en de befaamde Italiaanse opera componist Giacomo Puccini op bezoek waren in Londen, ze altijd langsliepen bij z’n overgrootvader in z’n Casa Denza om daar over muziek te praten en te luisteren naar z’n nieuwste composities. Luigi overleed de 26ste januari 1933 in Londen.
Aisséra, Nanninè, mme ne sagliette, tu saje addo’.Tu saje addo’...
Addo’, ‘sto coren’grato, cchiu dispiette farme nun po.Farme nun po!
Addo’ lo ffuocco coce, ma si fuje, te lassa sta.Te lassa sta…
E nun te core appriesso e nun te struje sulo a guarda.Sulo a guarda…
Refrein
Jammo, jammo, ‘n coppa jammo ja’…
Jammo, jammo, ‘n coppa jammo ja’…
Funiculi -funicula, funiculi -funicula…
‘ncoppa jammo ja’, funiculi-funicula…
Nèh jammo: de la terra la montagna, no passo nc’è.No passo nc’è…
Se vede Francia, Proceta, la Spagna, e io veco a te! E io veco a te …
Tirate co li ffune, ditto ‘n fatto, ‘ncielo se va.’Ncielo se va…
Se va comm’a lo viento e, a ll’intrasatto, gué saglie sa’.Gué saglie sa’…
Refrein
Jammo, jammo, ...
Se n’è sagliuta, oje né’, se n’è sagliuta, la capa gia. La capa gia…
E’ghiuta, po’ è tornata, po’ è venuta.Sta sempe cca..Sta sempe cca…
La capa vota vota attuorno,attuorno,attuorno a te. Attuorno a te…
Lo core canta sempe no taluorno:spsammo,oje né’.Sposammo, oje né’…
Refrein
Jammo, jammo, ...
Tot voor kort beschouwden velen ‘Funiculi’ als een typisch Napolitaans ‘volksliedje’. Dat misverstand zorgde er voor dat Richard Strauss in zijn compositie ‘Aus Italien’ het liedje verwerkte zonder rekening te houden met de auteursrechten, dus zonder toelating van Luigi Denza. Ook Rimsky-Korsakov deed alsof zijn neus bloedde toen hij het verwerkte in zijn rhapsodie ‘Italia’.
Sinds een aantal jaren is het kabeltreintje naar de top van de Vesuvius afgeschaft, maar zo’n echte funiculare kom je wel nog tegen op het eiland Capri om je van de haven naar de oude stad te brengen. Als ik mezelf eens wil verwennen, dan ga ik daar maar al te graag met vakantie. Daar vindt een mens pas stilte en rust, zeker als je de drukke vakantiedagen vermijdt en daar zit ook altijd muziek. Daar weten ze nog hoe echte liedjes moeten klinken en vooral hoe die gezongen moeten worden. Ik was maar wat blij toen we eind jaren zestig met de school op reis gingen naar Italië. Vooral ons bezoek aan Sorrento en de baai van Napels is me altijd bijgebleven. Ik blijf die streek associëren met muziek. Ik moest dus na die schoolreis koste wat het kost daar ooit terug naar toe. In 1974 was het zover, twee weken vakantie in Sorrento. Mijn plezier kon niet op toen ik heel toevallig aan het station in Sorrento het standbeeld van Ernesto De Curtis ontdekte, de componist van de bekende Napolitaanse evergreen ‘Torna a Surriento’. De Curtis had een enorm gevoel voor knappe melodieën. Zo schreef hij in 1935 ‘Non ti scordar di me’, speciaal voor Benjamino Gigli die hij vaak aan de piano begeleidde en twee jaar later ‘Ti voglio tanto bene’. Maar hij blijft onsterfelijk door het liedje ‘Torna a Surriento’ dat hij samen met zijn broer GianBattista componeerde. Toen ik iets later opnieuw met vakantie naar Sorrento trok, ben ik een kopje koffie gaan drinken op het terras van het Excelsior Vittoria Hotel. Van hieruit heb je een prachtig gezicht op de baai van Napels. Hier zong Enrico Carruso ooit zijn mooiste canzone. Jaren later heeft Luciano Pavarotti dat op die zelfde plaats nog eens overgedaan. Je begrijpt dan ook dat er haast geen zondag voorbijgaat of ik draai in Funiculi één van die vele Napolitaanse klassiekers.
Nu moet ik, om ons Funiculi verhaal correct te vertellen, vermelden dat toen ik begin jaren tachtig bij Radio 2 Limburg terechtkwam, producer Paul Cabus me vroeg of ik op de zondagavond tussen 19.10 en 20.00 uur het programma ‘In de operettesfeer’ niet wilde presenteren. Een programma met drie kwartier uitsluitend operettemuziek. Ook al was ik nog vrij jong, toch had ik genoeg affectie met die muziek om dit aanbod niet af te slaan, ook niet toen Paul me later voorstelde om dit programma te vervangen door ‘Muziek is een zondagskind’. Het werd niet alleen presenteren,maar ook samenstellen. Daar is toen eigenlijk in mijn achterhoofd al de idee ontstaan om ooit een programma als Funiculi op het getouw te zetten.
Maar het was wel wachten tot zondag de 2de september 1990. Om 18.10 uur gingen we voor de allereerste keer met Funiculi op antenne. Die zendtijd kwam vrij omdat Luc Verschueren en Dirk Somers met ‘Sportcafé’ ophielden om op de zaterdagochtend ‘Te bed of niet te bed’ van Jos Ghysen te gaan vervangen door ‘Ochtendkuren’. Je kunt jezelf voorstellen dat het voor mij geen gemakkelijke klus was de zondagse sportliefhebbers, die tot dan toe altijd op dat uur afstemden, te vervangen door muzikale fijnproevers. Hadden we niet zo’n degelijk VRT-archief, ik zou in de verste verte niet meer weten wat we die eerste zondagavond, de 2de september geprogrammeerd hadden. Na een beetje zoekwerk heb ik dat eerste programma nog teruggevonden. Het allereerste liedje dat we in Funiculi draaiden was ‘Coren’grato‘ gezongen door de Amerikaanse crooner Jerry Vale op de voet gevolgd door Placido Domingo met ‘Wien, du Stadt meiner Träume’ en vervolgens Matt Monro met ‘Love is a many splendoured thing’. En Johann Sebastiaan Bach was ook al van de partij, toen met het allegro uit z’n concerto voor 4 klavecimbels vertolkt door The English Concert en we draaiden ook de aria ‘Soave sia il vento’ van Wolfgang Amadeus Mozart gezongen door Janet Baker. Voor de operette-touch zorgden ondermeer Rita Streich en Nicolai Gedda met het lied ‘Ninana’ van Johann Strauss en Erroll Garner speelde zelfs een vleugje jazzmuziek! Geef toe dat we intussen qua muzikale inhoud niet veel veranderd zijn, dat we zijn trouw gebleven aan onze Funiculi formule: in een ontspannen sfeer melodieën voor miljoenen serveren.
Vrij snel leerden de luistercijfers ons dat Funiculi funicula een succes zou worden. Meting na meting gingen die in stijgende lijn. Na een half jaar konden we zelfs al spreken van een trouwe Funiculi aanhang. Geen wonder dat platenfirma’s dat succes in de gaten kregen. Begin 1991 ontvingen we bezoek van platenfirma Sony met de vraag of we niet geïnteresseerd waren in een Funiculi-cd en dat met het oog op moederdag. Ik hapte toe op voorwaarde dat de compilatie een weerspiegeling zou zijn van de muzikale inhoud zoals het programma elke zondagavond werd geserveerd. Het lag voor de hand dat dat eerste volume zou beginnen met een liedje speciaal bedoeld voor moeder. Dat werd ‘Mama’ in de gezongen versie van Jerry Vale met op diezelfde cd ondermeer de ouverture Leichte Kavalerie van Franz von Suppé, ‘Misty’ van Erroll Garner, ‘Tender is the night’ gezongen door Tony Bennett en het ‘Intermezzo uit Cavaleria Rusticana’ door Luis Cobos. Toen één van de grote bazen van Sony uit Londen hier op bezoek was en die cd in handen kreeg, had hij maar één opmerking ‘Zoiets geraak je toch aan de straatstenen niet kwijt’. Sony België wist wel beter! Dat eerste volume werd zo’n succes dat er meteen een tweede volume werd besteld en de cd-reeks kon aan een lange serie beginnen. Niemand had toen durven dromen dat we in het voorjaar van 2005 volume 27 zouden releasen. Intussen werd de reeks ook aangepast aan de nieuwe trends. Daar waar we eerst een album met 15 tracks samenstelden, werden dat iets later dubbele cd’s en nog iets later zelfs albums met drie cd’s. Er werd ook plaats geruimd voor speciale edities. Nadat het 5de album was verschenen, kwam er een cd-box met daarin de eerste 5 volumes verzameld. In 2000 werd een feesteditie op het getouw gezet ‘10 jaar Funiculi’ met daarop een overzicht van de mooiste tracks van de voorbije jaren, een verhaal dat in 2002 nog eens herhaald werd toen de 5-delige box ‘Funiculi funicula uw favoriete keuze’ werd uitgebracht met daarop een overzicht van de vorige volumes, aangevuld met dertig nog niet eerder in de reeks opgenomen successen. En naar aanleiding van 15 jaar Funiculi dat we in het najaar 2005 gevierd hebben, is er de feesteditie ‘15 jaar Funiculi’ met daarop uitsluitend artiesten die heel nauw aan Funiculi gelinkt zijn: artiesten die bij ons ooit op het concertpodium hebben gestaan en de voorbije jaren onze Funiculi microfoon hebben gepasseerd om wat over hun carrière te komen praten, aangevuld met enkele bonustracks, liedjes waar u al een hele tijd naar op zoek bent om uw collectie compleet te maken.
Als een programma een succes wordt, dan hoor je er ook mee naar buiten te komen, dan is het niet meer dan normaal dat je je publiek gaat opzoeken, dat je ziet wie er naar je luistert! Zondag de 19de september 1991 was het zover. We zonden die avond rechtstreeks uit vanuit de feestzaal van het Cultureel Centrum van Hasselt. Een gedurfde zet, want Funiculi mocht dan wel een geslaagde radioformule zijn, op antenne gaan met live-spelende muzikanten en met een live-publiek is toch wat anders. Maar ook toen liet het publiek ons niet in de steek en ook organisatorisch bleven we niet in de kou staan, want het was het bestuur van de Internationale Robert Stolz Club van België die op zondag 29 september 1991 samen met ons het allereerste Funiculi-concert organiseerden. Vanaf het eerste concert hielden we er aan zo gevarieerd mogelijk te programmeren. I Fiamminghi onder leiding van Rudolf Werthen waren die avond de rode muzikale draad en begeleidden de Amerikaanse tenor Donald George, onze sopraan An Lauwereins, hoboist Joris Van den Hauwe, Koen Crucke, Johan Verminnen en het trio Concorde. Net die zondag liep het nieuws van 18.00 uur iets langer uit dan verwacht, zodat we tijdens het concert voortdurend hebben moeten wikken en wegen welke composities we moesten weglaten om tegen 20.00 uur onze geplande finale te kunnen spelen, maar het lukte! Omdat dit een rechtstreekse uitzending was, bleef ik tijdens het concert op het podium zitten. We hadden daarvoor een klein salonnetje opgesteld, een gewoonte die ook de concerten nadien is gebleven omdat ik op die manier optimaal van het concert kan meegenieten.
Uit dat eerste live-concert hebben we een wijze les getrokken, we zouden voortaan one concerten inblikken en op een latere datum uitzenden. Zondag 18 oktober 1992 waren we opnieuw te gast in het Cultureel Centrum van Hasselt, deze keer in de grote zaal met ook nu weer I Fiamminghi als rode draad en met als gasten de sopraan Dominique Colemont, cellliste France Springuel die ondermeer samen met Willy Claes ‘Le cygne’ van Camille Saint-Saëns vertolkte. Ook Koen Crucke was er deze keer bij en Stef Bos en niet te vergeten de nog piepjonge Engelse violiste Vanessa Mae. Ze was de dag van ons concert jarig, ze werd 13. Ik kon niet vermoeden dat toen ik haar op het podium drie verjaardagszoenen gaf, ze enkele jaren later als artieste tot de absolute wereldtop zou behoren en het ondenkbaar zou zijn haar nog voor een concert te vragen, laat staan haar te zoenen. Nu nog denkt Stef Bos met plezier terug aan het moment dat Vanessa hem tijdens dat Funiculi concert begeleidde tijdens z’n vertolking van z’n liedje ‘Tijd om te gaan’.
De grote zaal van het Cultureel Centrum van Hasselt was ook de plek waar we de 18de september 1994 te gast waren.Intussen was de Bulgaarse pianist Yuli Lavrenov zowat onze vaste huispianist geworden.Die mocht dus op onze affiche zeker niet ontbreken, ook de sopraan Ann Lauwereins en de bariton Marc Meersman niet.Ik had intussen ook mijn oor te luisteren gelegd bij onze noorderburen en was maar wat blij dat we The Deep River quartet te gast hadden met prachtige vertolkingen van onsterfelijke songs als ‘For sentimental reasons’ en ‘We’ll meet again’. Apetrots waren we bij Radio 2 dat we het Johann Strauss orkest van André Rieu hadden kunnen strikken die net een nieuwe cd had ingeblikt waarvan het nummer ‘The second waltz‘ van Shostakovitsch precies die week van ons concert in de Nederlandse top tien was aanbeland. De maanden nadien groeide het orkest uit tot een wereldhit en konden we alleen nog maar dromen van het Johann Strauss-orkest,want intussen zijn ze voor ons budget onbetaalbaar geworden.
Het jaar nadien, de 23ste april 1995, werd Funiculi, funicula heel even een tv-programma. In het Casino van Blankenberge werden de opnamen gemaakt van Casino Funiculi, een wervelend concert met het BRTN Filharmonisch orkest onder leiding van Dirk Brossé en met internationale gasten als de Amerikaanse sopraan Dinah Bryant en de Nederlandse bariton Marco Bakker. Ik hield er ook aan solisten van bij ons een open doekje te gunnen: onze befaamde fluitist Marc Grauwels, klarinettist Walter Boeykens, gitarist Roland Broeckx die een knappe vertolking speelde van ‘het andante uit het concerto de Aranguez’ van Rodrigo en onze huispianist Yuli Lavrénov met ondermeer het groots ‘Warsaw concerto’ van Richard Addinsell.
De 12de december 1996 waren we opnieuw te gast in de grote zaal van het Cultureel Centrum van Hasselt, deze keer voor een avondvullend concert met het Symfonieorkest van Turijn onder leiding van Walter Boeykens en de Italiaanse sopraan Cilia Rizonne van de Scala van Milaan. Ik heb ik weet niet hoe vaak met Walter moeten telefoneren om hem te overtuigen ‘Il carnevale di Venezia’ van Giampieri op klarinet te spelen. Een huzarenstukje, zo bleek achteraf. Walter maakte er een echt kijkstuk van, het publiek keek zijn ogen uit, een lust dus zowel voor het oog als het oor.
1997 was het jaar dat we twee concertformules bedachten waarmee we op tournee gingen. Eigenlijk kwam de idee van Dirk Brossé. We zouden met ons ‘Funicula Primavera concert’ in de loop van de maand april concerteren in het Cultureel Centrum van Hasselt (17 april), de feestzaal van Interbrew in Destelbergen (18 april) en het Casino van Blankenberge (19 april). Gasten waren het Vlaams Radio orkest, de sopraan Machteld Willems en de fluitist Dirk Decaluwé die speciaal voor dit concert een bewerking had gemaakt van ‘De vlucht van de hommel’ van Rimsky-Korsakov met daarin fragmentjes uit het liedje Funiculi funicula verweven. Het werd een formule die naar nog smaakte en in de loop van de maand september van datzelfde jaar gingen we opnieuw met Dirk Brossé op tournee, deze keer samen met zijn orkest L’arco musicale en ondermeer het combo van Herman Van Spauwen, de sopraan Carla Schroyen en de crooner G. C. Davis die in een vorig leven als Daniël Davis laureaat was geweest van de Ontdek de ster wedstrijd. Omdat Dirk intussen z’n sporen als componist van filmmuziek verdiend had, lag het een beetje voor de hand dat we een concert zouden aanbieden met uitsluitend filmmuziek. ‘Funiculi goes Hollywood’ was een feit met op het programma filmmelodieën als ‘The shadow of your smile’ uit The Sandpiper, ‘Once upon a time in the West’ van Ennio Morricone en ‘Strangers in the night’ uit de film A man could get killed.
Na al die grote concerten, kregen we zin om ook eens concerten op kleinere schaal te organiseren. Zo waren we ondermeer te gast in het kasteel Saint-Paul te Lummen, in Alta Ripa in Oud-Turnhout, het Fijn Genoegen in Sint- Truiden, Hotel Serwir in Sint-Niklaas, Salons Mantovani in Oudenaarde enz.. Hier vergastten we ons publiek op gesmaakte diner-concerten die niet alleen muzikaal, maar ook culinair tot in de puntjes verzorgd waren. Het zou ons te ver voeren en u te zeer honger doen krijgen om daar in detail verder op in te gaan.
In 2000 was het zover! We mochten 10 jaar Funiculi vieren! Intussen was het personeel van de gewestelijke zenders – behalve de regionale redacties – naar Brussel verhuisd, maar toch hielden we er aan ons feestconcert nog eens in onze vroegere thuisbasis, Hasselt, te organiseren. De 14de september presenteerden we in het Cultureel Centrum het Vlaams Radio orkest (intussen waren ze van naam veranderd) het Vlaams Radiokoor, Michael Junior en Ann Lauwereins. Ik schrijf bewust ‘we’, want Kim Debrie mocht gastpresentatrice zijn en zo kon ze me verbaal een beetje in de watten leggen. Paul De Wyngaert, toenmalig nethoofd van Radio 2, heette het publiek vooraf van harte welkom en beloofde een schitterend concert, wat het ook werd, want als klap op de vuurpijl en totaal onverwacht trakteerden we het publiek op een onvergetelijke finale, een optreden van Helmut Lotti. Wijzelf waren vooraf wel getipt, maar we wisten toch pas drie dagen vooraf dat die verrassingsact inderdaad ook zou plaatsvinden. Helmut had in z’n overvolle agenda immers nog een plaatsje vrij gevonden en hield er aan die avond voor ons op te treden ‘omdat hij enkele Funicili-jaren geleden in ons programma een goede uitvalsbasis had gevonden om z’n project Lotti goes classic te lanceren’. In de zomer van 1995 kwam hij immers op de zondagavond samen met z’n manager Piet Roelen, schoorvoetend zijn project voorstellen. Een democassetje was het enige materiaal waarmee hij ons kon overtuigen én natuurlijk met z’n altijd innemende charme en doorzettingsvermogen. We lanceerden toen ook op grote schaal de ticketverkoop van z’n eerste goes classic–concert in de Koningin Elizabethzaal van Antwerpen. Enkele dagen later belde hij me dolenthousiast met de melding dat het qua belangsteling een overweldigend succes zou worden. De rest van het verhaal is intussen geschiedenis. Helmut werd tijdens ons feestconcert op een staande ovatie onthaald en zong voor de eerste maal samen met het Vlaams radio orkest en koor ondermeer de traditional ‘Hava Nagilah’, een opname die we in ons Radio 2-archief zorgvuldig bewaren.
Drie maanden later - de 17de december 2000 werd het startschot gegeven- begonnen we aan een maandelijkse concertreeks die Radio 2 op het getouw had gezet samen met Geert Allaert. Onze thuisbasis werd vijf maanden lang het Antwerps stadstheater waar we elke maand samen met I Fiamminghi onder leiding van Rudolf Werthen op het middaguur gasten uitnodigden: Koen Crucke, Willy Claes, Marc Meersman, The Deep River quartet, pianist Daniël Blumenthal, de sopranen Catherine Vandevelde en Mariëlle Creemers enz... Piet Roelen, de manager van Helmut Lotti, had ons heel die tijd aandachtig in de gaten gehouden en kwam iets nadien met het voorstel op de proppen om samen met het orkest van Helmut, The Golden symphonic orchestra, een aantal Funiculi concerten te organiseren. Tijdens het verorberen van enkele verse maatjes en een lekkere borrel (Piet is een Nederlander) werd in 2002 beslist om met het orkest, als Helmut tenminste met hen niet op tournee was, enkele concerten in Vlaanderen te programmeren. We staken van wal in De Velinx in Tongeren en de Arenbergschouwburg in Antwerpen om de 14de juni in de Kortrijkse schouwburg, de 19de juli in het Casino van Knokke en de 1ste augustus in het Casino Kursaal van Oostende telkens voor een vol huis te spelen. Samen met dirigent André Walschaerts hadden we geopteerd voor een mengeling van licht klassieke muziek, bekende evergreens en chansons. Freddie Bierset kwam liedjes van Gilbert Bécaud en Slavatore Adamo zingen, Johan Verminnen bracht enkele van z’n bekendste chansons, Michael Junior kweelde een paar Italiaanse canzone en Marc Meersman zorgde voor de klassieke touch. Opvallend was het optreden van de Nederlandse zangeres Petra Berger die eerder al veel succes had geoogst bij onze noorderburen waar ze deel uitmaakte van het duo Chess. Ze had nadien een solo-album opgenomen met moderne bewerkingen van bekende klassieke melodieën in een crossoverstijl en die zong ze bij ons met veel klasse en oogstrelende charme. De Rode Loper van TV 1 vond het zelfs de moeite waard om er een volledige reportage aan te wijden. Voor ons concert in Oostende hadden we als extra gast Will Tura op de affiche staan, die toen net een album had opgenomen samen met The London Philharmonic orchestra en we vonden dat Will dat op ons Funiculi-podium nog eens een keertje moest komen overdoen.
En dan was er zaterdag 1 oktober ons feestconcert ’15 jaar Funiculi’. Om er een beetje een traditionele tint aan te geven, hadden we voor die viering nog maar eens het Vlaams Radio orkest uitgenodigd samen met het Vlaams Radiokoor én The Brussels Choral Society. Ze mochten al eerder zingen tijdens het huwelijksfeest van Prins Laurent en Claire Cooms en samen met Barbara Hendricks, José Van Dam en The London Symphony orchestra. Die avond zongen ze in een bomvolle Koningin Elizabethzaal van Antwerpen voor 2000 enthousiaste muziekliefhebbers ondermeer het ‘Hallelujah’ uit The Messiah van G. Fr. Haendel en ‘Vedi le fosche’ uit Il trovatore van Giuseppe Verdi. De sopraan Anja Van Engeland zong één van mijn lievelingsaria’s van Giacomo Puccini ‘Si mi chiamano Mimi’ uit La Bohème en tevens ‘All I ask of you’ uit The Phantom of the opera van Andrew Lloyd Webber in duet met de bekende Nederlandse bariton Ernst Daniël Smid, bekend van zijn populaire tv-show ‘Una voce particulare’ waarin hij al jaren na mekaar op zoek gaat naar zingend nieuw klassiek talent.
Muziek heeft in Funiculi altijd voorop gestaan. We hebben ons nooit te veel door het woord laten leiden. Interviews hebben we daarom met mondjesmaat toegestaan en opgediend. Als het echt de moeite waard leek, mocht er af en toe wel eens iemand op onze studiostoel plaatsnemen. De in Leiden geboren Nederlandse pianist Wibi Soerjadi bijvoorbeeld. In 1990 had die jongen al aardig wat prijzen gewonnen. Op z’n 23ste gaf hij een kerstrecital in de uitverkochte grote zaal van het Concertgebouw in Amsterdam. Het was me ook al opgevallen dat z’n cd’s in Nederland stuk voor stuk met goud en platina werden bekroond. Dus toen ik de vraag kreeg of ik geen zin had in een gezellige babbel met hem heb ik meteen ja gezegd. Ik wist niet wat ik te horen kreeg. Wibi praatte niet, maar ratelde aan een stuk door tegen een tempo alsof hij een fantasie van Chopin aan het spelen was. Ik moest voortdurend op de verbale rem gaan staan. Soerjadi horen praten, is luisteren naar een waterval en met even veel energie geeft hij zich over aan zijn opvallend pianospel, ondermeer in het 2de en 3de pianoconcerto van Sergei Rachmaninov dat hij opnam samen met The London Philharmonic orchestra.
Veel rustiger ging het er aan toe toen we de 20ste januari 1995 in het Brusselse Hilton Hotel de Amerikaanse sopraan Barbra Hendrick mochten interviewen. We hadden met haar platenfirma afgesproken dat we op de bovenste verdieping van het hotel waar je een prachtig uitzicht hebt over de stad Brussel een persconferentie zouden organiseren en waar we ook een aantal Funiculi-luisteraars zouden uitnodigen die achteraf zouden getracteerd worden op heerlijke koekjes, stukjes taart en koffie. We hadden een knus salonnetje klaargezet waar we met ons beiden eerder gezellig konden keuvelen dan saai interviewen en zo kwamen we ondermeer aan de weet dat Barbara eigenlijk eerst scheikunde had gestudeerd aan de universiteit van Nebraska alvorens ze aan haar klassieke zangopleiding begon aan de befaamde Juilliard School for music. Vooral lyrische partijen liggen haar uitstekend en zorgden er ondermeer voor dat ze tijdens het Glyndebourne festival in 1974 meteen haar plaats inpalmde in die toch wel competitieve wereld van de verwende opera-diva’s. Aan die babbel bewaar ik met veel zorg een grote gehandtekende poster die nu bij me thuis aan de muur van m’n kantoor hangt, vlak naast die van de drie tenoren. Die handtekening van José Carreras heb ik op een Engelse beurs moeten kopen om toch maar de drie tenoren compleet te hebben. Placido Domingo heb ik van hem persoonlijk gekregen via z’n platenfirma EMI. In gouden letters heeft hij geschreven ‘To Marc Brillouet with my friendschip, Placido Domingo’. De meest imposante foto van de drie is die van Luciano Pavarotti. Die trad de 16de december 1995 op in een volgeladen Sportpaleis in Antwerpen. Even voordien had ik hem geinterviewd in het Hilton Hotel op de Antwerpse Groenplaats en daar signeerde hij met grote sier de hoes van de elpee ‘O sole mio, favourite Neapolitan songs’. Er werden toen maar twee face to face interviews toegestaan. Eerst mocht TV 1-collega Alex Puissant hem in het Italiaans aan de tand voelen voor het zeven uur journaal. Alex kreeg welgeteld 5 minuten toegewezen. En nadien mocht ik hem iets uitgebreider (we kregen 15 minuten van hem cadeau) in het Engels laten praten over zijn rijk gevulde carrière: over zijn successen samen met Dame Joan Sutherland, over Helmut Lotti die hij aan het werk had gezien en over André Bocelli die hij eerder een rol zag spelen in de populaire muziek dan in de opera. Vreesde hij concurrentie of sprak hij de professionele waarheid?
Met Andrea Bocelli hadden we net voordien al een uitgebreide babbel opgenomen in het Antwerpse Switel-hotel, vlak voor zijn optreden tijdens The Night of the proms. Bocelli was toen nog ’n groentje, helemaal niet voorbereid op het grote succes dat hem te wachten stond. Hij ontving ons in een slobbertrui die zijn beste tijd gehad had. Van enige vorm van charisma was nog niets te merken. Op de rand van zijn hotelbed hebben we toen met mekaar gepraat, voortdurend onderbroken door een tolk, want Andréa sprak uitsluitend Italiaans. Vele jaren later heb ik hem nog eens ontmoet en heb ik tijdens een gastronomisch diner met hem de tafel mogen delen. Toen verliep onze babbel een stuk vlotter, want intussen kan hij in het Engels aardig uit de voeten.
Bij een etentje praat een mens ook altijd beter. Ik weet nog goed, en dan moet ik iets verder terug in de tijd, dat ik tijdens een bezoek aan de stad Zagreb – ik moest daar voor Radio 2 in 1990 samen met collega Julien Put het radiocommentaar verzorgen tijdens het 35ste Eurovisiesongfestival - de Spaanse dirigent Luis Cobos tegen het lijf ben gelopen. Hij beloofde me in een restaurant in de oude binnenstad dat als hij nog eens in België zou zijn, we mekaar zouden ontmoeten en dan meteen een afspraak zouden maken voor een exclusief interview, want ik wist toen al dat ik enkele maanden later met Funiculi van start zou gaan. Dat wachten heeft iets langer geduurd dan ik verwacht had, want pas in de maand september van 1992, twee jaar later dus, heb ik met hem kunnen praten op het kantoor van zijn platenfirma Sony in Brussel. Maar het wachten loonde zeker de moeite. Het was trouwens ook wat geduld oefenen alvorens ik een gesprek kon versieren met de Portugese fadista Christina Branco. Sinds de start van Funiculi heb ik nooit onder stoelen of banken gestoken dat ik een enorm zwak heb voor de fado. Ook al versta ik geen woord Portugees, die muziek blijft me raken alsof ik elk woord, elke klank doorleef. Christina beloofde me nadien dat ze speciaal voor mij een foto zou laten vergroten en die van een persoonlijke attentie zou voorzien. Die beloofde foto prijkt nu bij me thuis in m’n werkkamer, een prachtige kleurenfoto met de handtekening in het zilver gesigneerd. En vlak daarnaast, ook al keurig met een zilveren pen ondertekend, hangt André Rieu. Hij is één van de weinigen – ook Helmut Lotti en Berdien Stenberg heb ik in mijn werkkamer mogen ontvangen - die ik daar op de koffie heb uitgenodigd. André volg ik al op de voet sinds hij in de jaren zeventig met zijn Maastrichts Salonorkest optrad en nadien stap voor stap begon met het samenstellen van zijn Johann Strauss orkest. Ik weet nog goed hoe blij jullie waren toen ik in het najaar van 2001 een aantal Funiculi-luisteraars mocht meenemen voor een bezoek aan André’s gloednieuwe opnamestudio in Maastricht en hoe we nadien gezellig in de stad konden gaan eten. En toen we drie jaar later, eind december 2004, een aantal VIP-luisteraars mochten verwennen met een ‘meet and greet’ tijdens het onvergetelijk optreden van André Rieu in de Ethias-arena in Hasselt dat we nog eens herhaald hebben de 23ste december 2005 voor z’n kerstconcert in diezelfde Ethias-arena in het gezelschap van 10.000 enthousiaste Rieu fans. En dan was er in de loop van ons feestjaar 2005 ook nog die boeiende babbel met de wereldvermaarde Italiaanse tenor Roberto Alagna, die met de nodige trots z’n nieuwste album ‘C’est magnifique’ kwam voorstellen waarop hij een hommage brengt aan z’n jeugdidool Luis Mariano. Een cd die hij speciaal had opgenomen om z’n grootmoeder een plezier te doen. En de eerste januari 2006 presenteerden we als nieuwjaarscadeautje dat gesprek met de niet alleen knap zingende, maar ook nog vier knap uitziende heren van Il Divo die met hun tweede cd ‘Ancora’ bij ons op drie in de album top 50 stonden genoteerd, en wereldwijd al goed waren voor 6 miljoen verkochte cd’s en net voor onze babbel nog te gast waren in Amerika in de populaire talkshow van Jay Lenno.
Marc Brillouet.